In de Bijbel, boek van God en mensen, wordt heel wat afgewandeld.
Direct in het begin is het al raak, en hoe! In de tuin van Eden (meer bekend als ‘het paradijs’, hoewel die naam in Genesis 1 en 2 niet voorkomt),  liepen de mens en zijn vrouw (meer bekend als ‘Adam en Eva’, hoewel ze op dat moment nog niet zo heetten), een rondje. Ook God liep door de tuin, hoorden de mens en zijn vrouw. Hoe hoorden ze dat? Er was aan het eind van de middag een frisse wind gaan waaien, lezen we.
Was die frisse wind een thin place? Dat is een term uit de Keltische spiritualiteit. Een dunne ruimte of een dunne plaats is daar waar hemel en aarde elkaar raken, waar de grens tussen het zichtbare en het onzichtbare flinterdun is of zelfs wegvalt. Een dunne plaats is dus de ruimte of de ontmoeting waar je verwonderd fluistert: Hij is hier! Een dunne plaats is daar waar je Gods tegenwoordigheid ervaart, gezocht of ongezocht. De momenten waarop onze 4 kinderen geboren werden, waren in mijn herinnering ‘thin places’. (Ik denk overigens dat Lijda die momenten iets anders beleefde…) Als ik terugdenk aan bepaalde overlijdens, had ik dezelfde ervaring: God is hier! 

Lopend langs bloeiende bomen en met blauwalg besmet water, door geruststellende stilte en langs opgewonden bellende trams, in de verste verte geen mens te zien of tegen elkaar aanlopend in een drukke winkelstraat, waar twee vrijende mensen elkaar een kus geven of scheldende mensen elkaar de ergste ziekten toewensen, op bergen en in dalen, ja, overal is God, geloof ik. Maar, weet U, mijn geloof heeft meer dunne plaatsen nodig…