“God, als ik de krant opensla, kan het gebeuren dat mijn hart zich dichtvouwt voor U. Het soms verbijsterende lijden dat ik daar tegenkom, sluit mij van U af. Ik geloofde al niet meer zo in U als de God van hemelse bijstand en bescherming, maar het lijden van mensen, vooral van onschuldige mensen, haalt mijn laatste beetje geloof daarin onderuit.
Hiermee is het laatste geloofswoord nog niet gezegd. Dat komt doordat, vreemd genoeg, lijdenservaring, zelfs messcherpe lijdenservaring, nog een andere uitwerking kan hebben. U wordt daarin ondanks alles zichtbaar. Bijvoorbeeld in de ironische, onverzettelijke humor die U niet kwijt wil. Een man die van kind af aan blind was, wees eens op zijn witte blindenstok met twee rode streepjes: ‘Ik heb altijd twee streepjes voor, ik lees nog zonder bril en ik heb een blind vertrouwen in de Heer.’
U kunt ook tevoorschijn komen in een vloek die mij ontglipt en die uw naam noemt voor ik er erg in heb. Of in een klacht. ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ Jezus was U kwijt, maar kon niet zonder uw adres. U was er, niet als antwoord, maar als vraag.
Terwijl U ver weg lijkt, kunt U nabij komen in het wachten op U. Ergens in het donker van de pijn en in de wolk van niet weten moet U toch zijn? Hoe U en het lijden samen kunnen gaan is een onoverzienbaar probleem, maar zonder U wordt lijden een uitzichtloos probleem.
In de humor, de vragen of het wachten kan uw afwezigheid een vorm van aanwezigheid worden. Een merkwaardige aanwezigheid, die niet past in mijn beeld van U. Anders. Pijnlijk. Als een crucifix in mijn binnenste.
U bent niet de pleister op onze wonden, maar de wond zelf.”

  • uit: Bent U dat, God? – Stephan de Jong