Het kindje was gestorven. Na uren wachten in de hal van de kraamkliniek, kwam de broer van de moeder, een jong, ongetrouwd meisje, de trap af. In z’n handen een klein kistje. Het had lang geduurd omdat de handtekening van de arts ontbrak, maar nu was ’t zover. Familieleden volgden de man met het kistje. Buiten bleven we staan. Wat moest er gebeuren? Iedereen was met de stadsbus gekomen, maar om nu met kistje en al zo weer terug te gaan…
Een oude Volkswagen, model Kever, bracht uitkomst. Het kleine kistje paste goed op de achterbank. Er konden met gemak nog drie of vier levende kinderen op en naast zitten.
Het wordt al donker als we bij het kerkhof aankomen. We moeten wachten op de man van het ziekenhuis die de papieren brengen zal. Het is kwart over vijf. De begraafplaats sluit om zes uur. Dat moet ook wel, er is geen hand voor ogen te zien dan. Het wordt later en later. Geen man, geen papieren. ‘Zeker de bus gemist’, zegt iemand. ‘Hopen dat-ie nog komt!’, zegt een ander. Want: Geen man, geen papieren, geen begrafenis.
Om kwart voor zes arriveert hij maar schudt het hoofd. Wél papieren, maar géén begrafenis. ‘De documenten zijn helaas onjuist ingevuld’, zegt hij, ‘gaat u morgenochtend maar weer terug naar het ziekenhuis’. De spanning neemt verder toe. (wordt vervolgd)