De tijd dringt. Het is al haast donker. Iedereen praat door elkaar. ‘Morgen is het zondag, dan wordt er niet zo vroeg begraven! Moét dat echt wel, weer terug? Wat moeten we met het kindje aan?!’
Die vraag brengt mij weer terug bij de realiteit, bij het kistje met het kindje in de Kever. Het schiet door mij heen: Dit ís realiteit! Dit is de keiharde realiteit van leven en overleven en doodgaan. Dezelfde realiteit waar mensen overal ter wereld tegenop lopen, maar die in hardheid en wreedheid en grofheid van plaats tot plaats verschilt. Papieren zijn om juist ingevuld te worden en sluitingstijd is sluitingstijd: neemt u dus dat kind in het kistje maar weer mee!… Waar u het neerzet? Dat ziet u maar! U hebt thuis al geen plaats genoeg voor levende kinderen, laat staan voor een dood? Inderdaad een probleem, úw probleem. Goedemiddag!
De man van het ziekenhuis en de begraafplaats-ondernemer hadden er een ‘jeito aan gegeven’, zoals dat in Brazilië heet. De volgende dag zou het papier in orde komen. Voor twee Euro (inclusief nota), plus nog iets extra’s voor de moeite, krijg je een gat. De rest moeten wij zelf doen. Langs hoog gras dat de zerken bijna bedekt, onder de donkere kronen van de Paraná-sparren (open armen naar de hemel, alsof ze Gods zegen naar zich toe trekken willen), terwijl de avondlucht rood kleurt en geurt naar rokend afval, lopen we. Het grafje is niet moeilijk te vinden. Het eerste in een lange rij is aan de beurt. De grafdelver heeft goed in ’t voren gewerkt: er zijn wel twintig kleine kuilen achter elkaar. Genoeg, voor morgen.

De avondlucht kleurt rood. Vanaf vrijwel elke heuvelrug stijgen tientallen rookpluimpjes omhoog. De enige manier om vuil kwijt te raken op zaterdagavond en ratten buiten de deur te houden. Het is al bijna donker. Toch zijn de zerken goed te zien in het licht van de volle maan. We passeren een groot stenen kruis. Aan de voet branden kleine kaarsjes, een soort waxinelichtjes van Verkade. Lege drankflessen, kaarsvet, oude lompen. Wat gebeurt hier ’s avonds? (wordt vervolgd)