Pelgrims

‘Ineens valt regen blij over het Bakadal: Gods eigen tranen.’ (Psalm 84:6-8)

Categorie: Brazilië

Schapen zonder herder? (slot)

Of ik wel iets wilde doen, had de familie me gevraagd. ‘Iets’, dat was dus iets ‘godsdienstigs’, iets ‘gelovigs’, iets ‘kerkelijks’. Ze wisten zelf niet precies wat. Ik moest maar zien.
Het kistje werd neergezet naast de kuil en geopend. Het kindje had winterkleertjes aan en een soort Peruaans mutsje op. ‘Que bonitinha! (Wat een mooi meisje!) Coitadinha! (Stakkertje!) Meu Deus no céu! (Mijn god in de hemel!) Nossa Senhora! (Lieve vrouwe Maria!)’.
Mensen huilen, slaan kruisen, kijken elkaar aan. Het is vooral het wanhopige dat me pijn doet. Iedereen doet wel iets, maar niemand weet wat en waarom. Moet het kistje nu weer dicht? In dat zwarte gat? En dan weggaan?
‘HERE, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten. Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Uw ogen zagen mijn vormeloos begin…’.
Begrijpen deze wanhopige mensen hier iets van? Begrijpen ze dat ook dit kindje met het ijsmutsje niet door een los-vaste verkering, maar door God zelf in het verborgene gemaakt werd?
Als ik bid om open oren en ogen en harten begint de grafdelver al vloekend zand te scheppen. Hij had het kistje gesloten en in de kuil gezet. Zwaar ploffen de scheppen rode aarde in het gat. Hóórt hij iets, deze man die niet te lang wil overwerken? Hoort íemand hier iets van? Geen idee. De HERE weet het.
Opnieuw passeren we het stenen kruis. De maan straalt aan de rode avondlucht. Rood als bloed. Het bloed van het kruis. Daar gaan ze. Schapen, zonder herder?

Schapen zonder herder? (2)

De tijd dringt. Het is al haast donker. Iedereen praat door elkaar. ‘Morgen is het zondag, dan wordt er niet zo vroeg begraven! Moét dat echt wel, weer terug? Wat moeten we met het kindje aan?!’
Die vraag brengt mij weer terug bij de realiteit, bij het kistje met het kindje in de Kever. Het schiet door mij heen: Dit ís realiteit! Dit is de keiharde realiteit van leven en overleven en doodgaan. Dezelfde realiteit waar mensen overal ter wereld tegenop lopen, maar die in hardheid en wreedheid en grofheid van plaats tot plaats verschilt. Papieren zijn om juist ingevuld te worden en sluitingstijd is sluitingstijd: neemt u dus dat kind in het kistje maar weer mee!… Waar u het neerzet? Dat ziet u maar! U hebt thuis al geen plaats genoeg voor levende kinderen, laat staan voor een dood? Inderdaad een probleem, úw probleem. Goedemiddag!
De man van het ziekenhuis en de begraafplaats-ondernemer hadden er een ‘jeito aan gegeven’, zoals dat in Brazilië heet. De volgende dag zou het papier in orde komen. Voor twee Euro (inclusief nota), plus nog iets extra’s voor de moeite, krijg je een gat. De rest moeten wij zelf doen. Langs hoog gras dat de zerken bijna bedekt, onder de donkere kronen van de Paraná-sparren (open armen naar de hemel, alsof ze Gods zegen naar zich toe trekken willen), terwijl de avondlucht rood kleurt en geurt naar rokend afval, lopen we. Het grafje is niet moeilijk te vinden. Het eerste in een lange rij is aan de beurt. De grafdelver heeft goed in ’t voren gewerkt: er zijn wel twintig kleine kuilen achter elkaar. Genoeg, voor morgen.

De avondlucht kleurt rood. Vanaf vrijwel elke heuvelrug stijgen tientallen rookpluimpjes omhoog. De enige manier om vuil kwijt te raken op zaterdagavond en ratten buiten de deur te houden. Het is al bijna donker. Toch zijn de zerken goed te zien in het licht van de volle maan. We passeren een groot stenen kruis. Aan de voet branden kleine kaarsjes, een soort waxinelichtjes van Verkade. Lege drankflessen, kaarsvet, oude lompen. Wat gebeurt hier ’s avonds? (wordt vervolgd)

Schapen zonder herder? (1)

Het kindje was gestorven. Na uren wachten in de hal van de kraamkliniek, kwam de broer van de moeder, een jong, ongetrouwd meisje, de trap af. In z’n handen een klein kistje. Het had lang geduurd omdat de handtekening van de arts ontbrak, maar nu was ’t zover. Familieleden volgden de man met het kistje. Buiten bleven we staan. Wat moest er gebeuren? Iedereen was met de stadsbus gekomen, maar om nu met kistje en al zo weer terug te gaan…
Een oude Volkswagen, model Kever, bracht uitkomst. Het kleine kistje paste goed op de achterbank. Er konden met gemak nog drie of vier levende kinderen op en naast zitten.
Het wordt al donker als we bij het kerkhof aankomen. We moeten wachten op de man van het ziekenhuis die de papieren brengen zal. Het is kwart over vijf. De begraafplaats sluit om zes uur. Dat moet ook wel, er is geen hand voor ogen te zien dan. Het wordt later en later. Geen man, geen papieren. ‘Zeker de bus gemist’, zegt iemand. ‘Hopen dat-ie nog komt!’, zegt een ander. Want: Geen man, geen papieren, geen begrafenis.
Om kwart voor zes arriveert hij maar schudt het hoofd. Wél papieren, maar géén begrafenis. ‘De documenten zijn helaas onjuist ingevuld’, zegt hij, ‘gaat u morgenochtend maar weer terug naar het ziekenhuis’. De spanning neemt verder toe. (wordt vervolgd)

© 2017 Pelgrims

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑